Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/192930/ HA ZA 14-359)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij [appellant] pleitnotities heeft overgelegd;
- de bij brief van 10 november 2016 door [appellant] toegezonden producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
23 september 2003 en 23 augustus 2006. De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht heeft die vordering bij vonnis van 3 april 2009 (prod. 6 inleidende dagvaarding) afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] de hoogte van het door hem gevorderde voorschot niet aannemelijk heeft gemaakt, dat het aannemelijk is dat de schade beduidend lager zal zijn dan door [appellant] berekend en dat om die reden niet wordt ingezien dat [appellant] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening heeft. Naar aanleiding van het door [appellant] tegen dit vonnis aangetekende hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 30 maart 2010 (prod. 6 inleidende dagvaarding) het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
“vele tienduizenden euro’s”(mvg onder 74) en dat de exacte hoogte van de door hem geleden schade moeilijk te bepalen is en enkel kan worden vastgesteld aan de hand van door een actuaris op te stellen berekeningen. [appellant] heeft hierbij onder meer aangevoerd dat hij bij continuering van de gecombineerde verzekering op 1 april 2014 een uitkering van minstens € 79.555,00 zou hebben ontvangen (pleitnota advocaat pagina 3). Zonder verder inhoudelijke beoordeling van de vordering van [appellant] kan daarom niet op voorhand door het hof worden vastgesteld dat de vordering van [appellant] geen hoger geldelijk belang vertegenwoordigt dan € 1.750,00. Dat betekent dat [appellant] ontvankelijk is in dit hoger beroep.