Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/277175 / HA ZA 14-115)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
- op 13 oktober 1995 een hypothecaire geldlening van € 119.072,78;
- op 13 oktober 1995 een hypothecaire geldlening van € 262.402,00;
- op 14 augustus 1998 een ‘overeenkomst Rabobank betaalrekening’, waarbij een betaalrekening is geopend met een kredietlimiet van NLG 25.000,00;
Daarnaast hebben [appellante] en [appellant] op 6 mei 2010 namens [VOF] vof, alsmede voor zichzelf, een financieringsovereenkomst met de bank gesloten, waarbij zij € 180.000,00 van de bank hebben geleend en waarbij een kredietfaciliteit op de zakelijke rekening is gegeven van € 220.000,00. Op dezelfde datum hebben zij de bank een pandrecht gegeven op alle huidige en toekomstige inventaris en voorraden en op bestaande en toekomstige rechten en vorderingen van de pandgevers op derden uit bestaande rechtsverhoudingen.
- te verklaren voor recht dat Rabobank onrechtmatig jegens [appellante] respectievelijk [appellant] heeft gehandeld door het schenden van de op haar rustende bancaire zorgplicht;
- Rabobank te veroordelen tot betaling van schade, op te maken bij staat;
- saldo openstaande verpande debiteuren: € 199.277; dan wel geïncasseerde debiteuren: € 52.252,50; dan wel een geïncasseerd bedrag van € 2.620,-;
- door de bank ontvangen betalingen voor (verpande) huurpenningen: € 45.500,- (€ 1.493,15 of € 1.750,- per maand);
- door de bank ontvangen betaling 1 juni 2013 € 1.500,-.