ECLI:NL:GHSHE:2016:4081

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 september 2016
Publicatiedatum
13 september 2016
Zaaknummer
15/01359
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:15 lid 3 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij naheffingsaanslag parkeerbelasting

Belanghebbende was in beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €59,90 opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Oosterhout. De rechtbank had op 24 september 2015 uitspraak gedaan, welke op 6 oktober 2015 aan belanghebbende was verzonden. De termijn voor het indienen van hoger beroep bedroeg zes weken, eindigend op 17 november 2015.

Het hoger beroepschrift van belanghebbende, gedagtekend 22 november 2015, werd pas op 26 november 2015 ontvangen door de rechtbank en het hof. Volgens de Awb is het tijdstip van ontvangst bij de rechtbank beslissend, waardoor het beroepschrift te laat was ingediend. Belanghebbende stelde dat hij de uitspraak niet had ontvangen en dat de procedure ingewikkeld was door meerdere aanslagen, maar het hof vond deze argumenten onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

Het hof concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak hem niet had bereikt en dat de complexiteit van de zaak geen reden was om het verzuim te vergoelijken. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten en wees op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het arrest.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Kenmerk: 15/01359
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 oktober 2015, nummer AWB 14/5346, in het geding tussen
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oosterhout,
hierna: de Heffingsambtenaar,
betreffende de op 14 februari 2014 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting, aanslagnummer [aanslagnummer] , ten bedrage van € 59,90.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 18 augustus 2016 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] .
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 1 september 2016, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Gronden

Ten aanzien van het geschil
1. Voordat het Hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes grieven tegen de uitspraak van de Rechtbank, ziet het Hof zich voor de vraag gesteld of belanghebbende ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
2. De Rechtbank heeft op 24 september 2015 uitspraak gedaan. Deze uitspraak is op 6 oktober 2015 aan partijen verzonden. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en Pro 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een (hoger) beroepschrift zes weken aanvangende met ingang van de dag na die, waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Deze termijn eindigde derhalve op 17 november 2015. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb).
3. Belanghebbende heeft het hoger beroepschrift, gedagtekend 22 november 2015, per post verzonden. Het hoger beroepschrift is gericht aan en verzonden naar ‘Rechtbank Breda’. Het hoger beroepschrift is blijkens een daarop geplaatste stempel op 26 november 2015 bij de griffie van de Rechtbank binnengekomen. De Rechtbank heeft het beroepschrift in hoger beroep doorgestuurd naar het Hof waar deze, eveneens, op 26 november 2015 is ingekomen. Ingevolge artikel 6:15, lid 3, van de Awb is voor de vraag of het hoger beroepschrift tijdig is ingediend het tijdstip van ontvangst door - in dit geval - de Rechtbank beslissend. Nu de termijn eindigde op 17 november 2015, is het op 26 november 2015 ontvangen hoger beroepschrift niet binnen de termijn ingediend.
4. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend (hoger) beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Belanghebbende stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend, omdat hij de uitspraak van de Rechtbank niet heeft ontvangen, althans dat de uitspraak van de Rechtbank belanghebbende niet onder ogen is gekomen omdat deze niet juist is geadresseerd of op een andere manier verloren is gegaan. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat de zaak erg ingewikkeld is geworden, omdat twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting door elkaar lopen.
6. De uitspraak van de Rechtbank is op 6 oktober 2015 bij aangetekende brief verzonden aan belanghebbende op het adres [a-straat] 22 te ( [postcode] ) [woonplaats] . Nu de uitspraak van de Rechtbank niet ter griffie is terugontvangen en uit de informatie van PostNL blijkt dat de uitspraak op 8 oktober 2015 op voornoemd adres is uitgereikt, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak van de Rechtbank hem als gevolg van een fout niet heeft bereikt. De door belanghebbende overgelegde gegevens van PostNL over de aangetekend aan belanghebbende verzonden stukken met de Track & Trace code [code 1] respectievelijk [code 2] maken dit niet anders. Deze door belanghebbende aangehaalde zendingen hebben noch betrekking op de verzending van de uitspraak van de Rechtbank noch op de verzending van enig ander geschrift in de onderhavige procedure.
7. Verder heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat de zaak voor hem ingewikkeld is geworden, omdat twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting door elkaar lopen. Het Hof acht de door belanghebbende aangevoerde ingewikkeldheid onvoldoende om te kunnen concluderen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Het Hof is dan ook van oordeel dat de termijnoverschrijding niet op grond van artikel 6:11 Awb Pro verschoonbaar is, nu evenmin andere omstandigheden gesteld of gebleken zijn die tot een ander oordeel zouden dienen te leiden.
Ten aanzien van het griffierecht
8. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Ten aanzien van de proceskosten
9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Slot
10. Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door T.A. Gladpootjes, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 september 2016.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 september 2016
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.