Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 18 april 2016.
- het verweerschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties f en g, ingekomen ter griffie op 9 juni 2016;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 januari 2016;
- een brief van de zijde van [appellant] met een productie 2, ingekomen ter griffie op 13 juli 2016;
- namens ASVZ mr. [vertegenwoordiger ASVZ 1] en [vertegenwoordiger ASVZ 2] , bijgestaan door mr. Meerman;
- een faxbericht van de zijde van ASVZ met een productie, ingekomen ter griffie op
13 juli 2016, is ingekomen buiten de in het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven gestelde termijn. ASVZ heeft hiertegen tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt.
3.De beoordeling
“(…) Daarnaast is met u de afspraak gemaakt dat u mij wekelijks op de hoogte houdt van uw vorderingen. De afgelopen twee weken heeft u dat echter niet gedaan, ook niet later. Tevens hebt u een poging ondernomen om het bezoek aan de bedrijfsarts van 28 februari jl. af te zeggen terwijl u wel in staat, maar kennelijk niet in de gelegenheid was om te komen. Dit is niet acceptabel. Temeer omdat er verder momenteel nauwelijks enige eisen aan u gesteld worden en wij wel uw loon doorbetalen (…)”Eveneens op 6 maart 2014 schrijft [sectormanager 1] , sectormanager bij ASVZ, in antwoord op een brief van de (toenmalige) advocaat van [appellant] :
“Omdat de heer [appellant] thans arbeidsongeschikt is én zich weinig aan lijkt te trekken van de dan geldende regels maken wij van de gelegenheid gebruik hem hierop te wijzen. Bij zijn aanstelling zijn deze regels aan hem uitgereikt. Voor de goede orde treft u deze regels bijgaand nogmaals aan.”
Volgens de bedrijfsarts is dit deskundigenoordeel van de verzekeringsarts onvoldoende beargumenteerd.
In dit verslag staat voorts dat [appellant] begrijpt dat hij de ticketkosten voor de vliegreis met betrekking tot de behandeling in Zuid-Afrika aan ASVZ moet terugbetalen. Tot slot komt in voornoemd verslag aan de orde dat [appellant] een nieuwe verklaring omtrent gedrag (VOG) moet aanvragen, in verband met een opmerking van een politieagent dat hij die waarschijnlijk niet meer zou krijgen.
“In ons gesprek hebben wij al aangegeven dat uw handelen ons vertrouwen in u heeft aangetast. Wij verwachten daarom vanaf heden, dat u:- zich houdt aan de gemaakte afspraken (tijdig VOG overleggen);- zich beschikbaar houdt voor passende, (niet-cliënt gebonden) werkzaamheden;- daadwerkelijk op het werk verschijnt;- zich onder behandeling stelt voor problemen die u heeft;- zich niet aan behandeling onttrekt;- ons steeds en tijdig informeert over alles wat tot afwijking van deze verplichtingen zou kunnen leiden.”Tevens deelt ASVZ mee dat [appellant] op 18 februari 2015 op het werk wordt verwacht voor huishoudelijke en andere passende werkzaamheden, in eerste instantie voor 2x2 uur per week.
“samen mogelijkheden in kaart brengen vanuit een 2 sporen gedachte en de re-integratie hierop afstemmen. Enerzijds openhouden van de optie terugkeer in de eigen functie, anderzijds oriënteren op andere/beter passende functies. Momenteel aanbieden van tijdelijk aangepaste werkzaamheden in kader van ziektevervangende arbeid.”
“In het vijfde lid wordt als eis gesteld dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW, of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt,alsmededat de werkgever in een dergelijk geval dient te beschikken over een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW.”[onderstreping hof] (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 107) en:
“Ten slotte wordt voorgesteld aan artikel 7:671b, vijfde lid, onderdeel b, toe te voegen dat het overleggen van een deskundigenoordeel niet van de werkgever wordt verlangd, als dit in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het niet mogelijk is om snel een dergelijke verklaring te verkrijgen doordat de werknemer zich onbereikbaar houdt en aldus daaraan geen medewerking verleent. Dit zal mede in het licht van de omstandigheden van het geval moeten worden afgewogen. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 7:629a, tweede lid.”(Kamerstukken II 2014/15, 33988, 3, p. 12).
4.De beslissing
1 maart 2016;