Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2768389 CV EXPL 14-1409)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven d.d. 17 maart 2015 met vier producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende (voorwaardelijke) wijziging van eis d.d. 28 april 2015 met vier producties, genummerd 14 tot en met 17;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 7 juli 2015.
3.De beoordeling
- vanaf 1 april 2013, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, de uitkeringen op grond van hoofdstuk 3 van de regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid arbeidsvoorziening ter hoogte van 70% van het door het UWV vast te stellen dagloon, tot 1 juli 2025 zijnde de eerste dag volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, of zoveel eerder als [geïntimeerde] niet meer aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze uitkering voldoet;
- de wettelijke rente over deze uitkeringen indien en voor zover de uitkering niet tijdig door het UWV wordt voldaan, verschuldigd vanaf het vervallen van de betalingstermijn tot aan het moment dat de uitkering alsnog wordt voldaan;
- de kosten van het geding.
verstaat dat de bij beschikking van 27 augustus 2007 aan [geïntimeerde] toegekende ontbindingsvergoeding ad € 80.000,= dient ter suppletie op de uitkering krachtens de Werkloosheidswet tot 100% van het door [geïntimeerde] laatstverdiende loon ad € 3.328,99 bruto inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering voor een zodanige termijn als waarvoor deze vergoeding als suppletie toereikend is en dat na ommekomst van die termijn [geïntimeerde] in beginsel recht heeft op de vooralsnog opgeschorte bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling”.
“strekt (…) tot suppletie op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (dan wel eventueel elders te verdienen loon)”. In het dictum is daarom opgenomen dat de vergoeding
“dient ter suppletie (…) tot 100% van het door [geïntimeerde] laatstgenoten loon (…)”.
4.De uitspraak
- € 98,36 aan dagvaardingskosten, op € 77,= aan griffierecht en op € 1.200,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op
- € 311,= aan griffierecht en op € 1.631,= aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep;