Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen belastingaanslagen van een persoon waarvoor een rechtsvermoeden van overlijden was uitgesproken. Omdat zij geen verklaring van erfrecht overlegde, kon niet worden vastgesteld of zij beroepsgerechtigde was volgens artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Hierdoor was zij niet bevoegd om bezwaar te maken.
De Inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk en de Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure werd duidelijk dat belanghebbende bewust geen verklaring van erfrecht had overgelegd, ondanks dat dit mogelijk was.
Het Hof oordeelde dat zonder deze verklaring niet kon worden vastgesteld of belanghebbende als erfgenaam of wettelijke vertegenwoordiger van minderjarige kinderen beroepsgerechtigd was. Ook het beroep op het tweede lid van artikel 26a AWR werd verworpen, omdat geen inkomens- of vermogensbestanddelen van belanghebbende in het inkomen van de overleden persoon waren begrepen.
Daarom bevestigde het Hof de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd het betaalde griffierecht niet teruggegeven en werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.