Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg en in hoger beroep
2.Het geschil in cassatie
3.Het geding na het arrest van de Hoge Raad
4.De feiten
“onder voorwaarde, dat de voor de minderjarigen vrij komende gelden op de bij de Wet voorgeschreven wijze op een beleggingsrekening zullen worden belegd.”
“Nogmaals, het vermeende tegoed. [geïntimeerde] .”
5.Standpunten van partijen na verwijzing
6.Beoordeling
De handelwijze van [geïntimeerde] als voogd
De besteding der gelden voor bouwkundige voorzieningen
De besteding der gelden ten behoeve van de dochter
De afhankelijkheidsrelatie van de dochter jegens [geïntimeerde]
Het nalaten en weigeren rekenschap te geven van het gevoerde beheer
De bekendheid van de dochter met de rechtsfeiten
Het tijdsverloop tussen de bekendheid met de relevante rechtsfeiten en het instellen van de vorderingen
Gaat het om een vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmee – komt de gevorderde schadevergoeding ten goede aan het slachtoffer zelf, diens nabestaande dan wel van een derde?
In hoeverre bestaat er ter zake van de schade aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde?
De mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten.
In hoeverre heeft de aangesprokene er voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moeten houden dat hij zou worden aangesproken?
Heeft de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid zich tegen de vordering te verweren?
Is de aansprakelijkheid door een verzekering gedekt?
Hebben de aansprakelijkstelling en de vordering tot schadevergoeding binnen een redelijke termijn plaatsgevonden nadat de schade aan het licht is gekomen?