Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3301449 \ CV EXPL 14-8645)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
De Brussel I- Verordening (EEX-Vo, 44/2001/EG) blijft ingevolge artikel 66 lid 2 Brussel Pro I-bis Vo (Herschikte EEX-Vo) temporeel van toepassing ook op het na 10 januari 2015 ingestelde hoger beroep van de beslissing van de rechtbank van 17 december 2014, nu voorts zowel appellant als geïntimeerde in een verschillende lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd en dit ook ten tijde van de aanvang van de procedure in eerste aanleg waren.
Het hoger beroep betreft immers “een beslissing gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening [zijnde Brussel-I Vo] vallen” als bedoeld in artikel 66 lid 2 voornoemd Pro. Voor een nader onderzoek naar de hoedanigheid van [geïntimeerde] als bedoeld in artikel 26 lid 2 Brussel Pro I-bis Vo is dan ook geen grond.
blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt bepaald op basis van een van de criteria van artikel 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag, de rechter die criteria buiten toepassing dient te laten en het recht dient toe te passen van het land waarmee die overeenkomst het nauwst is verbonden.”