Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak vordert een advocatenkantoor betaling van onbetaalde declaraties aan twee cliënten, die de verschuldigdheid betwisten. Na een begrotingsprocedure bij de raad van toezicht, waarbij de declaraties niet werden gematigd, wees de rechtbank de vordering grotendeels toe. De cliënten stelden dat zij tijdig klachten hadden ingediend over de werkzaamheden, maar het hof oordeelde dat zij niet binnen bekwame tijd hadden geprotesteerd zoals vereist door artikel 6:89 BW Pro.
Het hof overwoog dat de cliënten onvoldoende concreet en tijdig hadden geklaagd over de vermeende tekortkomingen, waardoor het beroep op de klachtplicht faalde. Tevens werd een vermeende mondelinge verrekeningsafspraak door het advocatenkantoor onvoldoende onderbouwd geacht, zodat deze niet kon worden aangenomen.
De vordering tot terugbetaling van reeds verrekende bedragen werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde het advocatenkantoor in de kosten van het principaal hoger beroep en de cliënten in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van het advocatenkantoor toe tot betaling van € 42.945,54, terwijl de tegenvordering tot terugbetaling wordt afgewezen.