Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 748605 CV EXPL 12-7341)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende vermindering van eis in reconventie;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de akte van [appellant] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
Dit goed behoort mij geheel in eigendom toe”. Voorts staat in het proces-verbaal van aangifte dat [appellant] het vermoeden heeft dat het persrek is weggenomen door, kort gezegd, een loonwerker met wie hij een conflict heeft over een factuur voor het persen van hooi. In de “bijlage goederen” bij het proces-verbaal van aangifte staat [appellant] (nogmaals) als eigenaar van het persrek vermeld.
vraag wie moet bewijzen of een overeengekomen voorwaarde al dan nietis vervuld. In geval van een opschortende voorwaarde rust de bewijslast op degene die nakoming vordert(aldus ook het arrest van 7 december 2001), in geval van een ontbindende voorwaarde rust de bewijslast op degene die zich met een beroep op de voorwaarde tegen de vordering tot nakoming verweert (aldus het arrest van 21 oktober 1988). Nu in het arrest van 7 december 2001 is beslist dat
ook de bewijslast ten aanzien van deinhoudvan deopschortendevoorwaarde ligt bij degene die nakoming vordert,ligt het voor de hand dat de bewijslast ten aanzien van de inhoud van de ontbindende voorwaarde rust op de gedaagde, die zich op die voorwaarde beroept.
vraag òf een overeenkomst voorwaardelijk is aangegaan,bij een andere partij te leggen dan de partij op wie de bewijslast ten aanzien van de inhoud van de desbetreffende voorwaarde rust. Het bestaan en de inhoud van een voorwaarde zijn niet zo strikt te scheiden. Om die reden en gelet op de hiervoor bedoelde bewijslastverdeling ten aanzien van de inhoud van de voorwaarde
zou het naar mijn mening voor de hand liggen ook de bewijslast ten aanzien van het(hof: niet)
overeengekomen zijn van een opschortende voorwaarde bij de eisende partijen ten aanzien van het overeengekomen zijn van een ontbindende voorwaarde bij de gedaagde partij
te leggen.
de onvoorwaardelijkheid van de verbintenis (en daarmee de opeisbaarheid van de vordering) van het door de schuldeiser te bewijzen feitencomplex onderdeel is.Anderzijds zien de aanhangers van de Einwendungstheorie het beroep van de schuldenaar op een overeengekomen, nog niet vervulde opschortende voorwaarde als een beroep op een bevrijdend feit, waarvan de bewijslast rust op de schuldenaar die daarop een beroep doet. Volgens Bakels is ten aanzien van het beroep op de opschortende voorwaarde de Leugnungstheorie de heersende leer. Hij heeft zich in zijn conclusie ook voor deze visie uitgesproken en is daarin door de Hoge Raad gevolgd.”