Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Stichting Dierenthuis,
Stichting Dierenthuis naar [Plaatsnaam],
1.[geïntimeerde 1]
[geïntimeerde 2],
6.Het tussenarrest van 23 juli 2013
7.De verdere procedure
8.De verdere beoordeling
“Allereerst bedankt dat u ons kantoor heeft benaderd, om mee te denken in een mogelijke toekomstige verkoop van uw grote object in [plaats]. Ik heb het in 2007 ook al verkocht en het is altijd leuk om het na 5 jaar wederom terug te zien. (…) Ik kom berekenend en vergelijkend uit op een vrije onderhandse verkoopwaarde (marktwaarde) van ca. € 725.000,=. Adviesprijs zou voor mij rond de € 750.000,= kk liggen. U vroeg ook om de waarde per 09 februari 2011. De prijzen zijn in onze regio het afgelopen 1,5 jaar zeker met 10% gedaald. Waarde lag toen op ca. € 800.000 kk.”
“De taxateur heeft(hof: tijdens de opname op 3 juli 2009 in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift van [geïntimeerden])
(…) geconstateerd dat er bij het object een penetrante stank waarneembaar was, die afkomstig was van het tegenovergelegen pand van Dierenthuis. (…) betreft dit een uitzonderlijke situatie, waar (…)(hof: naar de mening van de gemeente)
wel rekening mee moet worden gehouden. Zeker omdat uw object zo dicht gelegen is bij de stichting. Daarom zal er een negatieve factor worden opgevoerd bij uw object. Op het moment dat Dierenthuis is vertrokken, zal deze factor weer worden verwijderd.”
“(…) Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er buiten het terrein geen geur afkomstig van de Stichting Dierenthuis zal worden waargenomen. Het ontstaan van geurhinder buiten de opvang is dan ook zeer onwaarschijnlijk.”
“Ten aanzien van het rapport zijn er de volgende opmerkingen:
“dit aantal (…) ruwweg overeen met het aantal (ongeveer dertig) waarvan [ingenieursbureau] is uitgegaan.”Er zijn volgens Dierenthuis c.s. nimmer meer dan 32 honden tegelijk buiten geweest. De meeste honden werden binnen gehouden, omdat deze honden er de voorkeur aan gaven binnen te blijven. Het waren zieke, oude honden, die op hun rust gesteld waren. De opvang van de honden is later mede verplaatst naar het woonhuis. De woning van [geïntimeerden] bevindt zich op zeker vijftig meter afstand van de gevel van dit woonhuis op het perceel.
’s Avonds en ’s nachts werd er niet geblaft. Feitelijk was de situatie zoals die waarvan [ingenieursbureau] is uitgegaan, aldus Dierenthuis c.s.. Van 2000 tot 2007 werden zestig jachthonden op het perceel gehouden. [geïntimeerden] zijn blijkens het kadaster in 2001 eigenaar geworden van hun perceel aan de [adres]. [geïntimeerden] hebben derhalve het lawaai opgezocht dan wel op de koop toegenomen.
“De opvang bestaat uit circa 400 katten (…) Momenteel zijn er circa 40 honden binnen de inrichting aanwezig, deze verblijven van 07.00 tot 19.00 uur op het circa 3 hectare buitenterrein (buiten de door de katten in gebruik zijnde terreindelen). Daar geen honden herplaatst worden, en wel ‘nieuwe’ honden opgenomen kunnen worden, kan dit aantal in de toekomst nog oplopen. In onderhavig akoestisch rapport is als uitgangspunt gesteld dat het aantal honden, dat tegelijkertijd op het buitenterrein aanwezig is, is beperkt tot 32. Dit betekent dus dat het aantal honden in de inrichting beperkt wordt, of dat een deel van de honden binnen verblijft (in een ‘geluiddichte’ situatie).”De conclusie van het rapport luidt:
(…) “Ten opzichte van de eerdere berekeningen uit het concept-rapport zijn de volgende maatregelen getroffen:- Het aantal honden, dat tegelijkertijd op het buiten terrein aanwezig is, is beperkt tot 32;- De honden verblijven vanaf 19.00 uur (en niet vanaf 21.00 uur) in het nachtverblijf;
“wat meer honden dan aanvankelijk het geval leek”. De kennelijk ingenomen stelling dat voor wat betreft de honden nauwgezet in de gaten is gehouden dat steeds slechts 32 honden zich buiten bevonden, behoeft daarom ook nadere toelichting. Het voorgaande leidt ertoe dat de betwisting dat er wel degelijk meer dan 32 honden tegelijk buiten zijn geweest als onvoldoende feitelijk onderbouwd zal worden gepasseerd. Dat de honden twee uur eerder naar binnen zouden zijn gebracht op een locatie op het perceel die verder van de woning van [geïntimeerden] verwijderd lag, doet niet af aan het feit dat niet kan worden vastgesteld dat de situatie waarvan in het rapport van [ingenieursbureau] wordt uitgegaan voor wat betreft de tot 17.00 uur buiten lopende honden ongewijzigd is gebleven. De stelling van [geïntimeerden] dat zij reeds sinds 1976 eigenaar zijn van hun perceel aan [adres] is niet (nader) door Dierenthuis c.s. weersproken. Deze stelling is daarmee komen vast te staan. Het betoog van Dierenthuis c.s., dat [geïntimeerden] zelf de overlast hebben opgezocht, dient – daargelaten de vraag òf dit tot gevolg zou moeten hebben dat [geïntimeerden] die overlast zonder meer voor lief zouden moeten nemen – reeds daarom te worden verworpen. De derde grief faalt derhalve.