Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/262781/HA ZA 13-279)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi van 10 februari 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H 12 formulier door [appellante] toegezonden productie 37, die haar advocaat bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
3.Uw gezondheidstoestand
Heeft u hieronder een of meer categorieën aangekruist? Vul dan voor elke aandoening, ziekte of gebrek ook de vragen op de bijlage bij vraag 3 in, bijvoorbeeld over raadpleging huisarts/specialist, blijvend letsel of arbeidsongeschiktheid.
“Letter van de rubriek vraag 3 Aan welke aandoening, ziekte, gebrek of klacht daaronder begrepen lijdt u of heeft u geleden? In welke periode(n) heeft of had u deze aandoening, ziekte, gebrek of klacht daaronder begrepen?”geantwoord dat hij in 2007 een fistel had gehad.
“Heeft/hebben uw vader, moeder en/of broers of zusters geleden (of lijdt/lijden nog) aan hart- en vaatziekten, suikerziekte, hoge bloeddruk of aandoeningen van psychische aard?”heeft [echtgenoot] ingevuld dat zijn vader aan ouderdomssuikerziekte lijdt sinds diens achtenvijftigste levensjaar.
2) betaling van de verzekerde som van €120.000,-- aan de begunstigde van die verzekering, dan wel aan [appellante], en tot
3) betaling aan [appellante] van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag dat dit bedrag verschuldigd is tot aan de dag der voldoening.
“zeer belangrijk”aanmerkt dat [echtgenoot]
“alle vragen juist en volledig beantwoordt”had [echtgenoot] wel van dat consult, waarin hij doorverwijzing naar een specialist vroeg voor de verwijdering van de later gediagnosticeerde melanoom, melding moeten maken, aldus de rechtbank. Dat [appellante] en [echtgenoot] in de veronderstelling verkeerden dat het om een onschuldige wrat ging, hetgeen bevestigd was door een kennis/klant van [echtgenoot] ([huisarts 2]) die gepensioneerd huisarts was, dat het ging om een door [echtgenoot] slechts om cosmetische redenen gewenste verwijdering en dat [echtgenoot] de verklaring reeds had ingevuld vóór hij op 31 mei 2010 de huisarts telefonisch consulteerde, deed aan dat oordeel volgens de rechtbank niet af.
3.5. Met grief 3 bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat [echtgenoot] zijn mededelingsplicht heeft geschonden door niet aan NN te melden dat hij op 31 mei 2010 aan de huisarts doorverwijzing naar een medisch specialist heeft gevraagd voor de verwijdering van de later gediagnostiseerde melanoom.
Indien de verzekeraar gebruik maakt van een door de aspirant-verzekerde in te vullen vragenlijst wordt het kenbaarheidsvereiste nader ingevuld door wat bij de aspirant-verzekerde bekend mag worden verondersteld over het acceptatiebeleid van de verzekeraar en door hetgeen deze op dit punt weet of behoort te begrijpen. Voorts is uitgangspunt dat (in dit geval) [echtgenoot] de op die vragenlijst voorkomende vragen mag opvatten overeenkomstig de zin die hij aan die vragen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen.
Terzijde tekent het hof hierbij aan dat in hoger beroep vast staat dat [echtgenoot] doorverwijzing naar een plastisch chirurg aan de huisarts heeft gevraagd (en niet naar een dermatoloog zoals NN bij conclusie van antwoord stelt).
“Uw gezondheidstoestand”.Vast staat dat [echtgenoot] geen gezondheidsklachten had (anders dan een fistel in 2007) en dat hij sinds 27 december 2006 zijn huisarts niet had geraadpleegd. Bij gebreke van gemotiveerde betwisting door NN staat tevens vast dat [echtgenoot] op 31 mei 2010 in verband met een klacht van cosmetische c.q. esthetische aard over de wrat zijn huisarts telefonisch heeft gevraagd om doorverwijzing naar een plastisch chirurg. Anders dan NN – en de Toetsingscommissie waar NN zich op beroept - is het hof van oordeel dat een cosmetische klacht als die van [echtgenoot] niet valt onder de gezondheidstoestand van [echtgenoot], waar op de vragenlijst (mede gelet op de in ro. 3.2. onder d. weergegeven lay-out daarvan) naar wordt gevraagd. De vraag naar het
“raadplegen”van een huisarts in verband met deze cosmetische klacht had [echtgenoot] als behoorlijk en zorgvuldig verzekerde derhalve redelijkerwijs niet bevestigend hoeven beantwoorden. Dit wordt niet anders door het betoog van NN dat onder
“raadplegen”van de huisarts in vraag 3 tevens verstaan moet worden
“contact hebben”met deze arts, reeds omdat NN aan dit betoog zelf toevoegt dat zulks slechts geldt voor zover dit contact verband houdt met één van de categorieën genoemd bij vraag 3 van de vragenlijst. Uit het hierna volgende zal blijken dat naar het oordeel van het hof het contact van [echtgenoot] met de huisarts geen verband hield met één van die categorieën.
“huidaandoeningen”. Voorts wordt onder die categorie gevraagd naar
“spataderen, open been, fistels, trombose, embolie”. Hieruit leidt het hof af dat, zoals ook uit het algemeen spraakgebruik af te leiden valt, NN specifiek vraagt naar een ziekelijke gesteldheid van de huid. NN heeft onvoldoende aangevoerd waaruit valt af te leiden dat hiervan bij [echtgenoot] door de aanwezigheid van de wrat sprake was. Dat deze wrat enkele centimeters lang en breed was zegt op zich onvoldoende daarover. Dat sprake was van (lichte) verzwering is onvoldoende toegelicht. In het Verslag van het pathologisch onderzoek (productie 28 bij mvg) staat vermeld
“Geen ulceratie”en
“In de biopsie geen ulceratie, klinisch blijkbaar wel (met u overlegd)”Dat een eventueel aanwezige verzwering tot klachten van [echtgenoot] had geleid heeft NN niet (voldoende duidelijk) gesteld. Dat de wrat
“sinds enige tijd sterk aan het groeien was”onderbouwt NN met een verwijzing naar de conclusie van antwoord sub 5.9 tot en met 5.16. Aldaar wordt wat de groei van de wrat betreft slechts verwezen naar de brief van de Toetsingscommissie van 7 mei 2012. Naar in hoger beroep vast staat is die brief onjuist voor zover daarin uitgegaan wordt van een operatie in 2008 en derhalve ook voor zover daarin gesproken wordt over groei van de wrat sindsdien. In het licht van het feit dat vast staat dat [echtgenoot] om cosmetische redenen een verwijzing naar een plastisch chirurg had gevraagd is onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een dusdanige groei dat [echtgenoot] de wrat moest beschouwen als een ziekelijke gesteldheid van de huid.
Voorts is onder categorie J niet naar de aanwezigheid van wratten (of moedervlekken) gevraagd. Gevraagd is naar specifieke (ziekelijke) aandoeningen. Voor de beantwoording van de onder 3.6.2. vermelde vraag is niet relevant dat het NN vanwege haar lidmaatschap van het Verbond van Verzekeraars niet was toegestaan specifiek naar de aanwezigheid van wratten te vragen. Hierbij laat het hof nog daar datzulks, onweersproken door NN, pas sinds 2012 het geval was, terwijl [echtgenoot] de vragenlijst in 2010 heeft ingevuld.
Het hof vermag om al deze redenen niet in te zien dat [echtgenoot] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij de aanwezigheid van de wrat als een
“huidaandoening”had moeten melden.
“goed- of kwaadaardige zwelling of tumor”. Naar normaal spraakgebruik is een wrat niet te zien als een
“zwelling”. Voor zover dit al anders zou zijn heeft te gelden dat aldaar tevens wordt gevraagd naar
“kwaadaardige aandoeningen, bloedziekte, bloedarmoede”, dat wil zeggen ziekelijke aandoeningen, en dat de aanwezigheid van de wrat naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet als een zodanige aandoening valt te kenschetsen.
NN heeft niet concreet onderbouwd dat en waarom [echtgenoot] deze vraag bevestigend had moeten beantwoorden. Naar het oordeel van het hof heeft [echtgenoot] dit ook niet hoeven doen, Bij hem was geen sprake van gezondheidsklachten. Voor het overige verwijst het hof naar hetgeen werd overwogen ten aanzien van de specifieke categorieën klachten waar NN wel naar heeft gevraagd.
“een zeker niveau van algemene ontwikkeling had en beoordelingsvermogen”(memorie van antwoord sub 5.7) zodat hij, naar het hof begrijpt, de aanwezigheid van de wrat redelijkerwijs had moeten melden, maakt, wat van die stelling ook zij, het oordeel van het hof niet anders. Bij dit oordeel betrekt het hof dat [huisarts 2] als gepensioneerd huisarts blijkens zijn verklaring
“een eenvoudig wratje”constateerde.
ING Bank N.V. is geen partij in deze procedure, zodat de vordering tot betaling aan die begunstigde afgewezen wordt. Ook de vordering tot betaling aan [appellante] zelf wordt afgewezen. Gelet op de onder 3.2.j. weergegeven inhoud van de polis gaat het hof er van uit dat uitbetaling aan de pandhouder dient plaats te vinden. Feiten die dit oordeel anders zouden kunnen doen uitvallen heeft [appellante] niet gesteld.
Vordering 3. komt, gelet op al het voorgaande, evenmin voor toewijzing in aanmerking.
De vordering tot terugbetaling van alles wat [appellante] ter uitvoering van het beroepen vonnis aan NN heeft voldaan is toewijsbaar. NN heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd.