Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Klussenbedrijf SJRA,
5 Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 18 februari 2014, waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 14 april 2014;
- een memorie van grieven waarbij drie grieven zijn voorgedragen en een productie is overgelegd;
- een memorie van antwoord.
6 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 373771\CV EXPL 13-1756)
7.De gronden van het hoger beroep
8.De beoordeling
Het hof hoeft niet in te gaan op de vraag of sprake is geweest van een opzegging conform artikel 7:764 BW Pro (zoals door [appellant] gesteld) dan wel van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst, omdat dit voor de beslissing van het geschil niet uitmaakt.
Dit brengt met zich dat de eerste grief ook wat dit punt betreft slaagt: door de overeenkomst te beëindigen, ongeacht of dit is geschied door opzegging door [geïntimeerde] dan wel doordat partijen een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten, heeft [geïntimeerde] het [appellant] onmogelijk gemaakt om zijn verbintenis tot een goed einde te brengen. Daarmee dient de vordering van [geïntimeerde] ter zake kosten herstel ook te worden afgewezen.