Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 505625/CV EXPL 12-4884)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties.
3.De beoordeling
datwerkgeefster werknemer in dienst wenst te nemen als bankwerker, gelijk werknemer bereid is in deze functie bij werkgeefster in dienst te treden (…)”.
“(…) bij [Engineering] Engineering was ik gewend dat ik werkzaamheden verrichtte die niet bij mijn contractfunctie hoorde (…) Ik werd naar firma’s gedetacheerd en moest maar doen wat mij gezegd werd van de werkgever (…) De laatste jaren was dat zowiezo erg. Het beroep bankwerker was bijna helemaal niet meer aan de orde. (…) Om mijn verklaring dus eigenlijk korter te maken stonden wij bij [Engineering] Engineering wel op papier als zijnde (…) bankwerker (…) maar papier is geduldig want we waren eigenlijk alles volgens [Engineering] Engineering, zo lang het geld maar binnen kwam.”. Voorts kan naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat de afdeling bankwerken ‘een onderdeel van de onderneming’ betreft als bedoeld in artikel 7:670b lid 2 BW, dat wil zeggen een organisatorische eenheid van ondernemingsactiviteiten waarmee [appellant] uitsluitend of in hoofdzaak was verbonden (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:830, onder 3.5.2).