Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 108858/HA ZA 06-216)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met 22 grieven met 5 producties;
- de memorie van antwoord met één productie;
- de akte van [appellant] met één productie;
- de antwoordakte van Achmea.
3.De beoordeling
Ik ben dus van mening dat betrokkene, mede omdat hij zelfstandig ondernemer is(was), volledig geschikt was om zijn eigen werk te doen in zijn eigen onderneming. Als de belasting van het werk zijn belastbaarheid al zou hebben overschreden, had hij daarvoor als zelfstandig ondernemer een gepaste oplossing kunnen vinden/gebruiken.”
- Betrokkene werkte voor de datum van het ongeval, gemiddeld 30 uur per week.
- Daarvan werkte hij gemiddeld 24 uur per week in het magazijn.
- Gemiddeld was hij dus 6 uur per week onderweg voor inkoop en verkoop.
- Met deze verdeling van werkzaamheden en tijd, behaalde hij een omzet en winst zoals bekend bij u.
- Als hij iemand in het magazijn erbij zou hebben gehad, zou hij meer tijd aan inkoop en meer tijd aan verkoop hebben kunnen besteden.
- Er van uitgaande dat de markt van zijn producten niet al geheel voorzien was van specifiek zijn producten, vind ik het aannemelijk dat hij bij meer acquisitie ook meer omzet had kunnen genereren.
- Daar komt bij dat hij, zeker omdat zijn bedrijf in Zuid-Limburg gevestigd was, ook grote afzetgebieden in België en Duitsland kon aanboren. Gebieden waar bij op datum ongeval niet actief was.
welkeklachten en beperkingen wordt uitgegaan.
als taken onder tijdsdruk uitgevoerd dienen te worden en wanneer taken een langere duur hebben, de denkprestaties van betrokkene beneden de maat zijn en betrokkene veel fouten maakt,nog niet dat [appellant] geen auto zou kunnen rijden.
Bij inachtneming van genoemde beperkingen is er geen aanleiding om een restrictie met het betrekking tot het arbeidspatroon toe te passen.”- niet onjuist weergegeven door te parafraseren dat er ondanks de door [verzekeringsgeneeskundige] genoemde (lichte) beperkingen er geen restricties ten aanzien van het arbeidspatroon bestaan. Zowel uit de opmerking van [verzekeringsgeneeskundige] als uit de weergave daarvan door de rechtbank volgt duidelijk dat bij de beoordeling van het arbeidspatroon rekening moet worden gehouden met de beperkingen, zoals neergelegd in de FML. Het is dan vervolgens voorbehouden aan de arbeidsdeskundige om op grond van de in de FML opgenomen beperkingen te beoordelen of en zo ja, in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid van [appellant]. Om die reden gaat het hof voorbij aan de klacht van [appellant] dat [verzekeringsgeneeskundige] geen arbeidspatroon van [appellant] heeft ontvangen. Dit is niet van belang. Het gaat erom dat de arbeidsdeskundige zich een beeld heeft kunnen vormen van het arbeidspatroon c.q. de aard en wijze waarop [appellant] voorafgaande aan het ongeval de werkzaamheden verrichtte.
equality ofarms. In dit verband kan ook aan de vrees van een procespartij voor partijdigheid van een deskundige een zeker gewicht toekomen. Een zodanige vrees is echter niet van beslissende betekenis; wél van beslissende betekenis is of de twijfels die door de schijn van partijdigheid zijn gewekt, objectief gerechtvaardigd zijn (HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523; de Hoge Raad verwijst op zijn beurt naar: EHRM 5 juli 2007, NJ 2010/323, par. 47-48).