Belanghebbende parkeerde de auto van zijn partner op 15 augustus 2012 in een zone met een dagtarief van € 12,50, maar kocht een parkeerkaart voor € 1 in een andere zone. De Heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag van € 66,50 op, bestaande uit € 12,50 parkeerbelasting en € 54 kosten. Belanghebbende stelde dat het parkeerbeleid onvoldoende duidelijk was, dat niet nageheven kon worden over het reeds betaalde bedrag van € 1, en dat de naheffingsaanslag in strijd was met artikel 234, vierde lid, van de Gemeentewet.
Het Hof oordeelde dat het parkeerregime voldoende duidelijk was en dat de betaling van € 1 in een andere zone niet voldeed aan de belastingplicht. Wel vernietigde het Hof de naheffingsaanslag omdat deze was berekend op basis van een dagtarief dat niet herleidbaar was tot een uurtarief, terwijl artikel 234, vierde lid, van de Gemeentewet voorschrijft dat een naheffingsaanslag wordt berekend over een parkeerduur van een uur tenzij aannemelijk is dat langer dan een uur zonder betaling is geparkeerd.
Het Hof achtte het tarief van € 12,50 voor een uur parkeren buitenproportioneel en niet aanvaardbaar, mede gelet op het hoogste uurtarief van € 3 dat de gemeente hanteerde. Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de naheffingsaanslag, en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende.