ECLI:NL:GHSHE:2014:4651

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 november 2014
Publicatiedatum
11 november 2014
Zaaknummer
HD 200.130.546_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting hoger beroep na overlijden van een partij zonder schorsingsverzoek

In deze civiele procedure bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch is hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van rechtbanken. Tijdens het hoger beroep is één van de geïntimeerden, de echtgenote van de andere geïntimeerde, overleden op 20 juli 2013. Hoewel zij partij was in het geding, is geen gebruik gemaakt van de schorsingsregeling zoals opgenomen in artikel 225 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het hof constateert dat de procedure zonder schorsing is voortgezet op naam van de overleden partij, terwijl van haar zijde nog geen memorie van antwoord is genomen. Daarom verwijst het hof de zaak naar de rol om de advocaat van de overleden geïntimeerde alsnog de gelegenheid te geven een memorie van antwoord te nemen binnen een termijn van zes weken, op straffe van verval van dat recht.

De verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze termijn is verstreken. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.

Uitkomst: De procedure wordt aangehouden en verwezen naar de rol om de advocaat van de overleden partij de gelegenheid te geven alsnog te reageren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.130.546/01
arrest van 11 november 2014
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats 1], Duitsland,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. E.H.J. van der Heijden te Maastricht,
tegen

1.[geïntimeerde sub 1],en

2.
[geïntimeerde sub 2] e.v. Schrijen,
beiden wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] (geïntimeerde sub 1), [geïntimeerde sub 2] (geïntmeerde sub 2), of [geïntimeerden] (geïntimeerden gezamenlijk),
advocaat: mr. M.J.M. van Vugt te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 3 mei 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Maastricht van 17 oktober 2012 en de rechtbank Limburg van 6 februari 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 169791 / HA ZA 12-116)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de akte uitlating tevens akte houdende opgave verhinderdata van [appellant];
- de akte uitlating omtrent comparitie na aanbrengen van [geïntimeerden];
- de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde sub 1].
[geïntimeerde sub 1] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Nadat de zaak door [appellant] bij dagvaarding bij dit hof was aangebracht en partijen zich hadden gesteld, heeft het hof partijen de gelegenheid geboden zich uit te laten over de vraag of zij prijs stelden op een comparitie na aanbreng. Van beide zijden is bij voormelde akten te kennen gegeven dat een comparitie na aanbreng niet gewenst was. Van de zijde van [geïntimeerden] werd voorts in deze akte gemeld:
“Ten aanzien van geïntimeerde sub 2 zij opgemerkt dat Mevrouw [geïntimeerde sub 2] helaas op 20 juli 2013 is overleden.”
3.2.
Vervolgens heeft slechts [geïntimeerde sub 1], nadat de memorie van grieven was genomen(, die conform de procedurele regels in een situatie als onderhavige ook [geïntimeerde sub 2] als wederpartij duidt), een memorie van antwoord genomen. In deze memorie van antwoord staat vermeld:
“[geïntimeerde sub 2], echtgenote van [geïntimeerde sub 1], die in eerste aanleg partij was en die ook in hoger beroep is gedagvaard, is op 20 juli 2013 overleden. De procedure in hoger beroep wordt voortgezet door (alleen) [geïntimeerde sub 1].”
3.3.
Het hof stelt vast dat geen gebruik is gemaakt van de in artikel 225 Rv Pro opgenomen schorsingsregeling, die kan worden ingeroepen na de dood van een partij. Dit betekent dat de procedure is voortgezet op naam van [geïntimeerde sub 2]. Er is evenwel van haar zijde nog geen memorie van antwoord genomen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde de advocaat van [geïntimeerde sub 2] in de gelegenheid te stellen deze memorie van antwoord alsnog te nemen dan wel anderszins te reageren. Het hof bepaalt de termijn voor het alsnog nemen van een memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerde sub 2] op een termijn van zes weken op straffe van verval van dat recht.
3.4.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 23 december 2014 voor de hierboven onder 3.3. vermelde doeleinden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.T. Begheyn, S.M.A.M. Venhuizen en E.K. Veldhuijzen van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.