Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[woonplaats],
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende en zijn ex-partner hielden in de jaren 2001 tot en met 2004 buitenlandse vermogensbestanddelen aan die niet in hun aangiften waren opgenomen. Na echtscheiding in 2006 kwam belanghebbende in 2009 tot inkeer, maar de ex-partner werkte niet mee aan de navordering. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op en paste na bezwaar een 50/50 fictieve verdeling toe op basis van artikel 2.17 lid 4 Wet IB 2001.
De rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde. Het geschil betrof de vraag of de Inspecteur terecht de helft van de vermogensbestanddelen aan belanghebbende toerekende. Belanghebbende stelde dat hij solitair de toerekening kon herzien en dat de vermogensbestanddelen geheel bij de ex-partner moesten worden belast, mede omdat zij niet meewerkte en de spaartegoeden tot haar privévermogen behoren.
Het hof oordeelde dat de wetgever met artikel 2.17 lid 4 juist beoogde om in situaties zoals deze een 50/50 toerekening toe te passen. Herziening van de keuze was niet mogelijk zonder instemming van de ex-partner. De Inspecteur had zorgvuldig gehandeld door de navorderingsaanslagen te verminderen tot de juiste bedragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met toepassing van de 50/50 toerekening.