Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats 2],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats 3] (Oostenrijk),
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak stond centraal de vraag of appellant ontvankelijk was in zijn hoger beroep tegen vonnissen van de kantonrechter en rechtbank in een procedure ex artikel 96 Rv Pro. Partijen hadden in een vaststellingsovereenkomst afgesproken hun geschil in der minne te proberen op te lossen en bij uitblijven daarvan het geschil aan de kantonrechter voor te leggen volgens artikel 96 Rv Pro.
Appellant voerde vijf grieven aan tegen het vonnis van de rechtbank, terwijl geïntimeerde 1 incidenteel appel instelde met grieven tegen eerdere vonnissen. Het hof oordeelde dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van geïntimeerde 1, dat appellant geen hogerberoepsvoorbehoud had gemaakt, gegrond was. Dit werd bevestigd ondanks dat het geschil deels was uitgebreid met reconventionele vorderingen.
Het hof stelde vast dat de verwijzing van de kantonrechter naar de sector civiel niet zonder meer betekende dat de procedure niet langer een artikel 96 Rv Pro-procedure was. De aard van het geding bleef volgens het hof ongewijzigd, omdat eenzijdige wijziging door appellant niet mogelijk was. Het hof veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep en verklaarde hem niet ontvankelijk.
Uitkomst: Appellant wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en veroordeeld in de kosten.