Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/264756/KG ZA 13-416)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Gelet op het voorgaande is de grief terecht voorgedragen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van de Gemeente Oss tegen een beslissing van de voorzieningenrechter in een kort geding over proceskosten. De geïntimeerde huurt sinds 1994 een perceel van de gemeente bestemd voor een zeilmakerij met bewoning. Door gezondheidsproblemen zette hij zijn ark in 2005 te koop. Diverse verzoeken tot verruiming van het bestemmingsplan werden door de gemeente geweigerd, waarna de geïntimeerde meerdere procedures startte, waaronder bezwaar en beroep.
In het kort geding vorderde de geïntimeerde een voorschot op schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige vertraging en belemmering door de gemeente. De voorzieningenrechter wees de vordering af wegens onvoldoende spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing van de schade. Wel compenseerde de voorzieningenrechter de proceskosten, mede vanwege een weinig coöperatieve houding van de gemeente.
De gemeente stelde dat de voorzieningenrechter onjuist had geoordeeld over de proceskostencompensatie, omdat de geïntimeerde volledig in het ongelijk was gesteld. Het hof oordeelde dat de hoofdregel van artikel 237 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij de kosten draagt, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, die hier niet aanwezig waren.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de proceskostencompensatie betreft en veroordeelde de geïntimeerde alsnog tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. Deze beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de geïntimeerde tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep en vernietigt de eerdere kostencompensatie.