ECLI:NL:GHSHE:2014:2816

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 augustus 2014
Publicatiedatum
19 augustus 2014
Zaaknummer
HD 200.137.528_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 353 RvArt. 130 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake eiswijziging bij verstek tegen geïntimeerde in civiele zaak

In deze civiele zaak tussen een vrouw als appellante en een man als geïntimeerde, die verstek liet gaan, heeft de vrouw in hoger beroep haar eis gewijzigd door een extra bedrag van € 8.933,- te vorderen wegens schuld van de man aan haar.

Volgens artikel 353 lid 1 in Pro verbinding met artikel 130 lid 3 Rv Pro is een eiswijziging tegen een partij die niet in het geding is verschenen niet toegestaan, tenzij deze wijziging tijdig aan die partij is betekend. In deze zaak is niet gesteld of gebleken dat de eiswijziging aan de man is betekend.

Het hof heeft de vrouw daarom in de gelegenheid gesteld alsnog de eiswijziging aan de man te betekenen of zich daarover uit te laten. Tot die tijd houdt het hof iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2014 voor een akte aan de zijde van de vrouw.

Het arrest is gewezen door de raadsheren van het gerechtshof 's-Hertogenbosch en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen voor betekening van de eiswijziging aan de man of nadere toelichting door de vrouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.137.528/01
arrest van 19 augustus 2014 (bij vervroeging)
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
appellante,
advocaat: mr. H.A. Groeneveld te Goirle,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde,
tegen geïntimeerde is verstek verleend,
op het bij exploot van dagvaarding van 30 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 5 juni 2013 tussen appellante – de vrouw – als eiseres en geïntimeerde – de man – als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/248252/ HA ZA 12-270)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen de man verleende verstek;
- de memorie van grieven met producties.
De man heeft verstek laten gaan. De vrouw heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4.De beoordeling

4.1.
De vrouw heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd aldus dat zij naast haar oorspronkelijke eis, voorts vordert dat de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen van € 8.933,- ter zake de schuld van de man aan de vrouw.
4.2.
Ingevolge artikel 353 lid 1 in Pro verbinding met artikel 130 lid 3 Rv Pro is, indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Aan de bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat moet worden vermeden dat de gedaagde tot iets veroordeeld kan worden waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het gevorderd is (HR 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3435).
Gesteld noch gebleken is dat de eiswijziging aan de man is betekend. Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen alsnog haar eiswijziging (de memorie van grieven) aan de man te doen betekenen, althans zich daarover uit te laten.
4.3
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2014 voor akte aan de zijde van de vrouw met het hiervoor in rov. 4.2 aangegeven doel;
houdt iedere verder beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, G.J. Vossestein en J.U.M. van der Werff en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 augustus 2014.