Uitspraak
GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het procesverloop
2.Het standpunt van verzoeker
3.Het standpunt van de advocaat-generaal
4.De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
5.De beoordeling van het wrakingsverzoek.
af;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren S.C. van Duijn, J.F. Dekking en F.L. Muskens van de strafkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege de afwijzing van een preliminair verweer over de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het wrakingsverzoek was gebaseerd op het oordeel van de strafkamer dat het Openbaar Ministerie niet verplicht was de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) te raadplegen over aspecten van hervonden herinneringen in aangiften. Tevens werd de afwijzing van een afspraak tussen verzoeker en aangeefsters over behandeling en aangifte betwist.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend en dat de strafkamer terecht geen aanwijzingen voor vooringenomenheid gaf. De overwegingen van de strafkamer betroffen een inhoudelijke beoordeling van het bewijs en niet een persoonlijke afwijzing van de verzoeker. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces werd voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren van de strafkamer is afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.