ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3628
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eigenwoningregeling bij zakelijk recht van gebruik en bewoning
Belanghebbende kocht in 1989 de woning van zijn ouders met een levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning voor zijn ouders. Volgens de notariële akte komen alle onderhoudskosten, zakelijke lasten en belastingen zolang het recht voortduurt voor rekening van de ouders. Belanghebbende nam echter alle kosten voor zijn rekening.
Na het overlijden van zijn vader in 2002 bleef moeder het zakelijk recht houden en woonde belanghebbende met zijn partner in de nieuwbouw van de woning. Het geschil betrof de vraag of de woning als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 kon worden aangemerkt.
Het hof stelde vast dat belanghebbende en zijn ouders tot hetzelfde huishouden behoorden en dat de woning als hoofdverblijf ter beschikking stond. Niet in geschil was dat belanghebbende de voordelen van de woning genoot en de waardeverandering hem grotendeels aangaat. Echter, belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat de kosten en lasten op hem drukken, omdat deze volgens de akte en dwingendrechtelijke bepalingen in het BW voor rekening van de vruchtgebruikers (ouders) komen.
Belanghebbende kon niet opteren voor fiscaal partnerschap met zijn moeder, waardoor de eigenwoningregeling niet van toepassing was. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel werd verworpen. Het hof bevestigde daarom de navorderingsaanslag en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de woning niet als eigen woning kwalificeert omdat de kosten en lasten niet op belanghebbende drukken.