ECLI:NL:GHSHE:2010:BO9730
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- H.D. Bergkotte
- E.F.G.M. Gelderman
- N.J.M. Ruyters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ongewenstverklaring vreemdeling met Colombiaanse nationaliteit
Verdachte, een Colombiaanse vreemdeling gehuwd met een Nederlandse vrouw en woonachtig in Spanje, werd in 1991 ongewenst verklaard op grond van de toen geldende Vreemdelingenwet. Op 15 april 2008 werd hij in Nederland aangehouden omdat hij zich daar bevond terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard. Hoewel de ongewenstverklaring op 3 december 2008 werd opgeheven, oordeelde de rechtbank en het hof dat deze opheffing geen terugwerkende kracht had tot 30 april 2006, de datum van implementatie van de EU-richtlijn 2004/38/EG.
De verdediging voerde aan dat verdachte als partner van een EU-onderdaan recht had op vrij verkeer en verblijf binnen de EU en daarom niet als ongewenst mocht worden aangemerkt op het moment van het delict. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat verdachte op het moment van het verblijf in Nederland nog steeds ongewenst was verklaard. Het hof achtte het bewezen dat verdachte zich bewust was van zijn status en veroordeelde hem tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter wegens onvoldoende motivering en deed opnieuw recht. De straf werd gematigd vanwege de latere opheffing van de ongewenstverklaring, maar de strafbaarheid van het feit bleef gehandhaafd. De zaak benadrukt de juridische nuances rond de toepassing van EU-recht op nationale vreemdelingenwetgeving en de gevolgen van niet-terugwerkende opheffing van ongewenstverklaringen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens verblijf terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard.