ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0354

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.036.447
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Teeffelen
  • Draijer-Udo
  • Philips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenbeschikking alimentatieovereenkomst

De vrouw was in eerste aanleg gescheiden van de man en vorderde vernietiging of wijziging van een alimentatieovereenkomst van 21 mei 2003, stellende dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst leed aan een geestelijke stoornis. De rechtbank Maastricht stelde een bewijsopdracht aan de vrouw om haar stellingen te onderbouwen en hield verdere beslissing aan.

De vrouw stelde in hoger beroep dat de appelmededeling op de beschikking van de rechtbank als een beslissing van de rechter moest worden opgevat, waardoor tussentijds appel mogelijk zou zijn. Het hof oordeelde echter dat deze mededeling een griffiermededeling was en niet van de rechter afkomstig, en dat partijen niet mochten aannemen dat tussentijds appel was toegestaan zonder expliciete rechterlijke beslissing.

Het hof verwees naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en benadrukte dat de vrouw de mogelijkheid had om de rechtbank te verzoeken tussentijds appel toe te staan, maar dit niet heeft gedaan. Daarom verklaarde het hof de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de tussenbeschikking van de rechtbank.

Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de tussenbeschikking van de rechtbank.

Uitspraak

ER
23 september 2009
Sector civiel recht
Zaaknummer HV 200.036.447/01
Zaaknummer eerste aanleg 129939 / FA RK 08-834
GERECHTSHOF 's-Hertogenbosch
Beschikking
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
de vrouw,
advocaat: mr. E.R.Th.A. Luijten,
t e g e n
[Y.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
de man,
advocaat: mr. J.J.M. Hermans.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 31 maart 2009, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 juni 2009, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
- de vrouw dient te bewijzen dat zij ten tijde van het sluiten van de alimentatieovereenkomst leed aan een tijdelijke stoornis van haar geestesvermogen, die een redelijke waardering van haar belangen belette;
- de man dient te bewijzen dat hij ten tijde van het sluiten van de alimentatieovereenkomst, in de gegeven omstandigheden, de verklaring van de vrouw mocht opvatten zoals hij heeft gedaan;
- de vrouw dient te bewijzen, dat zij eerst sinds kort voor de indiening van het inleidend verzoek in staat was de gevolgen van haar handelen te overzien en/of de invloed van de man is opgeheven.
2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- de brief van de advocaat van de man d.d. 7 augustus 2009.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de advocaat van de man.
2.3.1. De man is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet ter zitting van het hof verschenen.
3. De beoordeling
3.1. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 9 juli 2003 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 31 december 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Ingevolge het van voornoemde echtscheidingsbeschikking deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 21 mei 2003, dient de man een bedrag van € 1.500,00 per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw te betalen, zulks voor een periode van vijf jaren te rekenen vanaf 1 juni 2003.
3.2. De vrouw heeft in eerste aanleg primair verzocht de alimentatieovereenkomst van 21 mei 2003 te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden cq. geestelijke stoornis van de vrouw en de bijdrage ter zake levensonderhoud van de vrouw te stellen op € 2.727,00 bruto per maand, ongelimiteerd, ingaande per 1 juni 2003.
Subsidiair heeft de vrouw verzocht de alimentatieovereenkomst van 21 mei 2003 te wijzigen en de bijdrage ter zake levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man te stellen op € 2.727,00 bruto per maand voor de duur van 12 jaren conform de wet, ingaande op 1 juni 2003, althans op een zodanig bedrag als door de rechtbank te bepalen.
3.3. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking, alvorens verder in te gaan op het door de vrouw verzochte, de vrouw in de gelegenheid gesteld haar stellingen met betrekking tot de vernietigingsgrond te bewijzen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen. De rechtbank heeft de vrouw toegelaten te bewijzen:
- dat zij ten tijde van het sluiten van de alimentatieovereenkomst vanwege haar geestelijk en lichamelijke gesteldheid niet in staat was de gevolgen van deze overeenkomst te overzien;
- dat de man wist dat de vrouw, gezien haar gesteldheid, de gevolgen niet kon overzien;
en
- dat zij eerst sinds kort voor de indiening van het verzoek in staat is de gevolgen van haar handelen te overzien en/of de invloed van de man is opgeheven.
De rechtbank heeft verder iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van die bewijsvoering.
3.4. De vrouw kan zich met de inhoud van de gegeven bewijsopdracht niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5. Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan van tussenbeschikkingen slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
Partijen zijn het er over eens dat de bestreden beschikking een zuivere tussenbeschikking betreft. De vraag die derhalve ter beantwoording aan het hof voorligt, is of de rechter in de bestreden beschikking tussentijds appel heeft toegestaan. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 27 september 2002, NJ 2004,100) kan een door de griffier op een beschikking gestelde mededeling dat tegen de beschikking hoger beroep kan worden ingesteld, de wettelijke regeling van het hoger beroep niet opzij zetten.
3.5.1 De vrouw is van mening dat het hier een andere situatie betreft dan in voormelde uitspraak van de Hoge Raad aan de orde was en dat de bewuste mededeling in dit geval moet worden beschouwd als een mededeling van de rechter en niet van de griffier, nu de mededeling niet aan de voet van de beschikking staat, doch midden op de laatste pagina, direct onder de handtekening van de rechter en het onaannemelijk is dat de mededeling er op een later tijdstip bij is getypt. De vrouw concludeert hieruit dat de rechter ofwel de opdracht heeft gegeven de appelmededeling toe te voegen aan de beschikking, ofwel de mededeling van de griffier bij het plaatsen van zijn handtekening heeft gezien en impliciet heeft geaccordeerd.
Voorts is de vrouw van mening dat haar (proces-economisch) belang bij tussentijds appel veel groter is dan het belang dat in voornoemde uitspraak van de Hoge Raad aan de orde was.
3.5.2. Het hof is van oordeel dat het in de onderhavige kwestie gaat om een mededeling van de griffier en niet van de rechter. De mededeling maakt immers geen onderdeel (meer) uit van de uitspraak van de rechtbank. Noch in het dictum noch in de overwegingen van de rechtbank wordt met enig woord gerept over de mogelijkheid van tussentijds appel. Gelet op HR 27 september 2002, NJ 2004,100, mogen partijen er niet van uitgaan dat aan een zodanige mededeling van de griffier een beslissing van de rechter ten grondslag ligt. Het feit dat de bewuste mededeling niet onderaan de laatste pagina van de beschikking staat maar in het midden van de laatste pagina, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af. Immers, een uitspraak eindigt met de laatste alinea, waaronder de rechter zijn handtekening heeft gezet.
Ook het antwoord op de vraag of de vrouw in deze zaak al dan niet een groter (proces-economisch) belang heeft bij doorbreking van het appelverbod, kan naar het oordeel van het hof geen rol spelen. Een groter belang kan immers ook niet rechtvaardigen dat de wettelijke regeling van het hoger beroep opzij wordt gezet.
3.5.3. Daarbij komt nog dat de vrouw de mogelijkheid had de rechtbank te verzoeken tussentijds appel van de bestreden beschikking toe te staan, doch dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Immers, gelet op HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510, kan de rechter, ook nadat hij uitspraak heeft gedaan, desverzocht - en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord - alsnog bepalen dat beroep kan worden ingesteld vóór de einduitspraak, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan, mits dit verzoek binnen de appeltermijn is gedaan. Naar het oordeel van het hof had de advocaat van de vrouw bij de geringste twijfel de rechtbank in eerste aanleg moeten verzoeken om verduidelijking of aanvulling inzake de mogelijkheid van appel.
3.6. Gelet op het voorgaande dient de vrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar appel tegen de beschikking van de rechtbank Maastricht van 31 maart 2009.
5. De beslissing
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Maastricht van 31 maart 2009.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Draijer-Udo en Philips, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.