ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2166
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Bod
- Zweers-van Vollenhoven
- Van Voorst van Beest
- Rechtspraak.nl
Geen recht op afvloeiingsuitkering bij eigen verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een geschil over de toepassing van een afvloeiingsregeling in een arbeidsovereenkomst tussen [X.] en de ondernemingen [Z.] BV en [Y.] BV, waarbij laatstgenoemde de rechtsopvolger is van eerstgenoemde. [X.] vorderde betaling van een afvloeiingsuitkering van drie bruto jaarsalarissen, stellende dat deze regeling deel uitmaakte van zijn arbeidsovereenkomst en dat hij recht had op de uitkering omdat hij de arbeidsovereenkomst had laten ontbinden wegens gewichtige redenen.
De kantonrechter en rechtbank wezen de vordering af omdat de afvloeiingsregeling niet was overeengekomen met de werkgevers en niet deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het beding slechts recht geeft op een afvloeiingsuitkering indien de werknemer door de werkgever wordt ontslagen zonder dringende reden. Het eigen verzoek van [X.] tot ontbinding kan niet gelijk worden gesteld met ontslag door de werkgever.
Het hof overwoog dat geen feiten of omstandigheden waren gebleken die het verzoek van [X.] tot ontbinding konden aanmerken als een gedwongen ontslag. Ook een eerdere afvloeiingsregeling aan een familielid was niet vergelijkbaar. De vorderingen van [X.] werden daarom afgewezen en de bestreden vonnissen bekrachtigd. Tevens werd [X.] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de afvloeiingsuitkering wordt afgewezen omdat het eigen verzoek tot ontbinding niet gelijkstaat aan ontslag door de werkgever.