ECLI:NL:GHSHE:2005:AU1656
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitgestelde salarisbetaling van 10.000 gulden belast in jaar 2000 volgens artikel 13a Wet LB
Belanghebbende, groot aandeelhouder en directeur van A B.V., ontving in 2000 een bruto jaarsalaris van 86.426 gulden en een fiscaal loon van 89.001 gulden. Daarnaast werd hem een uitgestelde salarisreserve van 10.000 gulden toegekend, die pas op 31 december 2022 zou worden uitgekeerd. Belanghebbende nam dit bedrag niet op in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2000.
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarin het belastbare inkomen met 10.000 gulden werd verhoogd. Het geschil spitste zich toe op de vraag of dit uitgestelde salaris als "meer dan bijkomstig" in de zin van artikel 13a, lid 2, Wet LB moet worden beschouwd. Het hof stelde vast dat het bedrag van 10.000 gulden meer dan 10% van het jaarsalaris bedraagt en dat het uitstel van 22 jaar een ongebruikelijk tijdstip van genieten inhoudt.
Het hof oordeelde dat het uitgestelde salaris derhalve als meer dan bijkomstig moet worden aangemerkt en dat het bedrag voor belastingheffing moet worden toegerekend aan het jaar 2000, ongeacht het latere uitbetalingsmoment. De stelling van belanghebbende dat alleen het deel boven 10% belast zou zijn, werd verworpen. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het uitgestelde salaris van 10.000 gulden wordt belast in het jaar 2000.