ECLI:NL:GHSHE:2004:AP1813
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Koopman
- A.J. van Soest
- N. van Beelen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of dividenden uit aanmerkelijk belang behoren tot inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben
Belanghebbende ontving in 1999 een dividend van ƒ 160.000 van vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang had en bracht betaalde rente in mindering die betrekking had op een financiering voor een saldo stamrecht. De Inspecteur corrigeerde deze renteaftrek bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Het geschil spitste zich toe op de vraag of dividenden uit aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, moeten worden gerekend tot het gezamenlijk bedrag aan inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben zoals bedoeld in artikel 38, zevende lid, Wet IB 1964.
Belanghebbende stelde dit bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Het Hof overwoog dat artikel 38 van Pro de Wet een regeling bevat voor aftrekbare kosten op inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben, maar dat volgens artikel 24 Wet Pro IB 1964 winst uit aanmerkelijk belang niet als inkomsten uit vermogen wordt aangemerkt. Ook kan regulier voordeel uit aanmerkelijk belang niet worden gekwalificeerd als inkomsten uit arbeid of periodieke uitkeringen. De systematiek en wettekst leiden tot de conclusie dat dividenden uit aanmerkelijk belang niet tot het bedoelde gezamenlijk bedrag behoren.
Het Hof verwierp daarmee de stelling van belanghebbende en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan de wederpartij toegewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt gehandhaafd.