ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4920
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Koopman
- A.J. van Soest
- N. Van Beelen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting na verwijdering gasinstallatie
Belanghebbende was het niet eens met een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak van 2 oktober 1997 tot en met 1 januari 1998. De kern van het geschil betrof of de gasinstallatie vóór aanvang van het naheffingstijdvak uit het voertuig was verwijderd, wat invloed heeft op het toepasselijke belastingtarief.
Het Hof stelde vast dat op basis van een garagefactuur de gasinstallatie pas op 4 oktober 1997 was verwijderd, dus na de aanvang van het tijdvak. Volgens artikel 22 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is de inrichting van het voertuig bij aanvang van het tijdvak bepalend voor de heffing. Hierdoor kon geen verlaging van het tarief worden toegepast.
Verder oordeelde het Hof dat de redelijke termijn uit artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet van toepassing is op belastingheffingsprocedures, zodat een overschrijding daarvan geen reden is voor vernietiging van de aanslag.
De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem werd door de Hoge Raad vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch, dat uiteindelijk de naheffingsaanslag bevestigde. Belanghebbende verscheen niet bij de zitting. Het Hof wees ook verzoeken tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt bevestigd omdat de gasinstallatie pas na aanvang van het tijdvak werd verwijderd en de redelijke termijn niet is overschreden.