ECLI:NL:GHSHE:2003:AI1092
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Mr. Vonhögen
- Mrs. Hendriks
- D. van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing uitleveringsdetentie en belangenafweging in hoger beroep
In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank die de schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon had toegewezen. Het hof heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de Uitleveringswet en het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt dat artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet beoogt een voortvarende effectuering van een ministeriële uitleveringsbeslissing te bevorderen, met name door het beëindigen van schorsingen van uitleveringsdetentie zodra de officier van justitie van die beslissing in kennis is gesteld. In casu was de opgeëiste persoon echter ten tijde van de ministeriële beslissing al gedetineerd en werd de schorsing pas later door de rechter bevolen. Het hof concludeert dat de schorsing in deze situatie niet strijdig is met de wet, omdat de uitleveringsprocedure civielrechtelijke procedures bevat die de effectuering kunnen vertragen.
Het hof weegt de belangen af en stelt vast dat de uitleveringsdetentie al een aanzienlijke duur heeft bereikt en mogelijk nog verder zal worden verlengd door lopende procedures. De persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon om in vrijheid de uiteindelijke beslissing af te wachten, wegen zwaarder dan de belangen van de Nederlandse autoriteiten bij een voortvarende uitlevering. Daarom bevestigt het hof de schorsing van de uitleveringsdetentie onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt met verbeterde gronden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de schorsing van de uitleveringsdetentie onder gestelde voorwaarden wordt bevestigd.