ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6394
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- U.E. Tromp
- J.T. Sanders
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opzet en passendheid boeten bij niet opgegeven buitenlandse bankrekeningen in vermogensbelasting
Belanghebbende werd navorderingsaanslagen en boeten opgelegd wegens het niet aangeven van tegoeden op buitenlandse bankrekeningen bij Kredietbank Luxembourg over de jaren 1993 tot en met 2000. De Inspecteur baseerde zijn bewijs op microfiches met rekeninggegevens, ervaringscijfers en een modelmatige correctie van de belastinggrondslag. Belanghebbende ontkende het bezit van deze rekeningen en verstrekte beperkte informatie.
Na eerdere procedures en een arrest van de Hoge Raad werd het geschil verwezen naar het Gerechtshof ’s-Gravenhage. Dit hof stelde vast dat belanghebbende bewust een bankrekening opende in een land met bankgeheim om vermogen en inkomsten voor de fiscus te verbergen. De Inspecteur slaagde erin te bewijzen dat belanghebbende in elk jaar relevante vermogensbestanddelen niet had aangegeven.
Het hof beoordeelde vervolgens de passendheid van de boeten, waarbij het rekening hield met de onzekerheidsmarge in de schatting van de belastinggrondslag en het proportionaliteitsbeginsel. Het hof matigde de boeten tot 64% van het nagevorderde bedrag, waarbij het belang van normhandhaving werd meegewogen. De uitspraak vernietigde eerdere beslissingen op bezwaar en wijzigde de boetebeschikkingen conform deze matiging.
Uitkomst: De boeten worden gematigd tot 64% van het nagevorderde bedrag en de navorderingsaanslagen worden overeenkomstig aangepast.