ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1551
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering tot medewerking aan overdracht aandeel in ontbonden huwelijksgoederengemeenschap
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank dat zijn vordering tot medewerking aan de overdracht van een aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van geïntimeerden afwees. De vordering richt zich tegen twee geïntimeerden, waarvan één niet is verschenen en de andere de medewerking aan de overdracht slechts onder voorwaarden wilde verlenen.
De rechtbank stelde vast dat geïntimeerde sub 1 zijn medewerking reeds had verleend, maar dat er geen afspraak bestond dat hij de medewerking van geïntimeerde sub 2 zou bewerkstelligen. De vordering jegens geïntimeerde sub 2 werd afgewezen omdat de gestelde onvoorwaardelijke toezegging onvoldoende was onderbouwd en uit correspondentie bleek dat zij voorwaarden stelde.
In hoger beroep richt appellant zich alleen tegen de afwijzing jegens geïntimeerde sub 2 en voert aan dat er wel degelijk onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, onder meer telefonisch, die hij wil bewijzen met getuigen. Het hof oordeelt dat uit de correspondentie geen onvoorwaardelijke toezegging blijkt en dat de voorwaarden die geïntimeerde sub 2 stelt, dit tegenspreken. Appellant wordt toegelaten tot bewijslevering, maar het bewijs moet aantonen dat geïntimeerde sub 2 zonder voorwaarden akkoord ging met overdracht tegen betaling van € 1,- zoals in de conceptakte.
Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen geïntimeerde sub 1 en houdt de zaak tegen geïntimeerde sub 2 aan voor bewijslevering. De verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Hof wijst vordering af wegens onvoldoende bewijs van onvoorwaardelijke toezegging en verklaart appellant niet-ontvankelijk jegens geïntimeerde sub 1.