ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4375
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling garantstelling versus medehuurderschap in huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal of de geïntimeerde als medehuurder of slechts als garant was verbonden aan een huurovereenkomst van een bedrijfsruimte. De huurovereenkomst werd op 2 maart 2010 gesloten tussen de verhuurder, de echtgenoot van de geïntimeerde en de geïntimeerde zelf. De overeenkomst bevatte een clausule waarin de geïntimeerde middels medeondertekening garant stond voor alle financiële verplichtingen.
Na het overlijden van de echtgenoot werd de huur opgezegd door de geïntimeerde, wat door de verhuurder werd betwist. De kantonrechter ontbond de huurovereenkomst en wees de ontruiming toe, maar wees de vorderingen van de verhuurder na januari 2011 af, mede omdat de verhuurder de geïntimeerde niet had gewezen op de mogelijkheid van opzegging op grond van artikel 7:302 BW Pro.
In hoger beroep stelde de verhuurder dat de geïntimeerde medehuurder was en hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen. Het hof oordeelde echter dat uit de overeenkomst en omstandigheden blijkt dat de geïntimeerde slechts garant stond en niet als medehuurder kon worden aangemerkt. Hierdoor kon zij de huurovereenkomst rechtsgeldig opzeggen. De overige grieven van de verhuurder faalden eveneens, waarna het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigde.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de geïntimeerde slechts garant is en niet medehuurder, waardoor zij de huurovereenkomst rechtsgeldig kon opzeggen.