ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1681
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid van uitlatingen van advocaten over derde in civiele procedure
In deze civiele zaak ging het om de vraag of uitlatingen van twee advocaten over een derde onrechtmatig waren jegens deze derde, appellant. De uitlatingen waren gedaan in het kader van kort gedingen en civiele procedures, onder meer in dagvaardingen en pleitnota's. Appellant stelde dat zijn eer en goede naam door deze uitlatingen waren aangetast.
De rechtbank had de vorderingen van appellant afgewezen, onder meer omdat de vordering tot verklaring voor recht onvoldoende was geconcretiseerd en omdat het onwenselijk is om advocaten vooraf te verbieden bepaalde uitlatingen te doen in juridische procedures. Het hof bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat de uitlatingen, hoewel scherp en soms grievend, binnen de grenzen van het toelaatbare vielen gezien de context van de procedures en het belang van partijen om hun standpunten te verdedigen.
Het hof overwoog dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat de uitlatingen onjuist waren of geen steun vonden in het feitenmateriaal. Ook werd meegewogen dat appellant zelf de audiovisuele opname van een zitting openbaar had gemaakt, waardoor de gevolgen van de uitlatingen voor het publiek aan hem zelf waren toe te rekenen. Het hoger beroep werd dan ook afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.