ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0629
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B. van Walderveen
- J.T. Sanders
- J.J.J. Engel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van €8.231 met heffingsrente van €1.379, opgelegd naar aanleiding van een verkrijging van een perceel bloembollenland. De Inspecteur wees het bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij recht had op vrijstelling overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel s, Wbrv.
Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. De juridische en economische eigendom van het perceel bloembollenland was niet door de vennootschap [C] verkregen, maar rechtstreeks door belanghebbende van [A]. Hierdoor was er geen sprake van een ruilovereenkomst die de vrijstelling rechtvaardigt.
Daarnaast oordeelde het hof dat de procedure bij de rechtbank een onredelijke duur had gehad van ruim 6,5 jaar, en ook het hoger beroep ruim 10 maanden in beslag nam. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, de naheffingsaanslag bleef gehandhaafd en de Staat werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend. Belanghebbende en de Inspecteur kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen.
Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.