ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6890
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J. Kramer
- H.J.H. van Meegen
- D.J. de Brauw
- Rechtspraak.nl
Beoordeling passende beoordeling en schadevergoeding mechanische kokkelvisserij in Waddenzee
De Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij (PO) heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank dat het primaire besluit van 20 juli 2004 tot het verlenen van een vergunning voor mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee onrechtmatig achtte, maar de gevorderde schadevergoeding afwees wegens ontbreken van causaal verband.
De vergunningverlening betrof een activiteit die onder de Habitatrichtlijn valt, waarbij een passende beoordeling vereist is om schadelijke gevolgen voor het beschermde gebied uit te sluiten. Uit eerdere bestuursrechtelijke uitspraken bleek dat een passende beoordeling ontbrak en dat de vergunning onrechtmatig was verleend. De PO stelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld en dat er sprake was van schade door het niet kunnen benutten van de vergunning, onder meer door gemaakte kosten en gemiste opbrengsten.
Het hof oordeelde dat op basis van de stand van kennis in 2004 niet kon worden uitgesloten dat de kokkelvisserij significante schadelijke gevolgen had en dat een passende beoordeling die zekerheid niet had kunnen bieden. Daardoor had de vergunning niet verleend mogen worden. Het hof vond dat de PO onvoldoende had gesteld om aan te tonen dat de vergunning ook daadwerkelijk zou zijn verleend en in stand zou zijn gebleven als een passende beoordeling was gemaakt, en dat er geen gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de vergunning zou blijven bestaan.
Daarom ontbrak het causaal verband tussen het primaire besluit en de gestelde schade, en was er geen grond voor schadevergoeding. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de PO in de proceskosten van het principaal appel, met compensatie van de kosten in het incidenteel appel.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het primaire besluit onrechtmatig is, maar wijst de schadevergoeding af wegens ontbreken causaal verband en gerechtvaardigd vertrouwen.