ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3166
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.H. van Coeverden
- M.J. van der Ven
- H.E.M. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging bij opzegging huur bedrijfsruimte en vervroegde ontruiming winkelcentrum
In deze zaak staat de opzegging van een huurovereenkomst van een bedrijfsruimte in een winkelcentrum centraal, waarbij Stadscentrum Zoetermeer de huurovereenkomst wilde beëindigen vanwege een noodzakelijke renovatie. Het hof overweegt dat de belangenafweging tussen de verhuurder en huurder moet worden gemaakt op basis van artikel 7:296 lid 3 BW Pro, waarbij het grote belang van Stadscentrum Zoetermeer bij herontwikkeling tegenover het grote belang van de huurder bij voortzetting van haar onderneming staat.
Het hof stelt vast dat het winkelcentrum, en met name het Versland, gedateerd was en leegstand kende, waardoor renovatie noodzakelijk was. De huurder exploiteerde een groente- en fruitwinkel met succes aan de voorzijde, maar verdere handhaving van het Versland was commercieel niet haalbaar. Hoewel de verhuurder geen tegemoetkomingen bood, weegt het belang van de renovatie zwaarder dan dat van de huurder, waardoor beëindiging van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.
Ten aanzien van de vervroegde ontruiming oordeelt het hof dat deze alleen kan worden verlangd indien de huurder over voldoende liquide middelen beschikt om elders passende ruimte te zoeken en in te richten, en om het verlies van goodwill zoveel mogelijk te beperken. De verhuurder heeft onvoldoende en te late schadeloosstelling geboden, waardoor het hof het vonnis tot vervroegde ontruiming vernietigt en de vordering afwijst.
De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis van de rechtbank wordt in de bodemprocedure bekrachtigd, en de voorlopige voorziening tot vervroegde ontruiming wordt vernietigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van de huurovereenkomst en wijst de vordering tot vervroegde ontruiming af wegens onvoldoende schadeloosstelling.