ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2539
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling lening en honorarium na verkoop onroerend goed afgewezen behalve honorarium van €5.000
In deze civiele zaak stond centraal de vordering van appellant jegens geïntimeerde tot betaling van een geldlening van circa €29.376,- en een honorarium van €5.000,- voor door appellant verrichte advocatendiensten. Appellant stelde dat de lening opeisbaar was na verkoop van geïntimeerde's huizen, terwijl geïntimeerde betwistte dat sprake was van een lening en voerde onder meer schenkingen en huurincasso aan.
De rechtbank wees de vordering tot terugbetaling van de lening af wegens niet-opeisbaarheid, omdat de terugbetaling was gekoppeld aan de verkoop van de huizen. Ook wees zij de honorariumvordering af wegens onvoldoende bewijs van overeenstemming. De procureurskosten werden wel toegewezen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de overeenkomst op grond van redelijkheid en billijkheid moest worden aangepast zodat de lening nu opeisbaar zou zijn, vanwege het uitblijven van verkoop van het laatste huis en de bekoelde relatie. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de afspraak aan te passen. Het hof stelde vast dat de brieven van geïntimeerde dwingend bewijs vormden van de lening en het honorarium. De vordering tot betaling van €5.000,- honorarium werd toegewezen, evenals de procureurskosten, terwijl de leningvordering niet opeisbaar was. Proceskosten werden gecompenseerd en het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €5.738,79 plus rente, overige vorderingen worden afgewezen.