ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0787

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
22-005849-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder B Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte medeplegen handel in cocaïne en heroïne wegens gebrek aan wetenschap

De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van ongeveer 15,3 gram cocaïne en 7,1 gram heroïne, aangetroffen bij een mede-inzittende van de auto waarin ook de verdachte zat. Het hof oordeelde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte wist van de aanwezigheid van deze verdovende middelen. Hoewel de verdachte zelf een kleine hoeveelheid cocaïne bij zich had, betrof de tenlastelegging niet deze hoeveelheid.

In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot een geldboete van 250 euro, subsidiair vijf dagen hechtenis. De advocaat-generaal vorderde in hoger beroep vernietiging van het vonnis en een veroordeling tot dezelfde geldboete. Het hof vernietigde het vonnis en sprak de verdachte vrij omdat de wetenschap van de aanwezigheid van de drugs niet was bewezen.

Daarnaast gelastte het hof de teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte. Het arrest werd uitgesproken op 28 maart 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs van wetenschap van de aanwezigheid van verdovende middelen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005849-09
Parketnummer(s): 09-753149-09
Datum uitspraak: 28 maart 2011
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 maart 2011.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft -in afwijking van de overgelegde vordering- gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van EUR 250,=, subsidiair vijf dagen hechtenis, met aftrek van zes dagen voorarrest.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 250,=, subsidiair vijf dagen hechtenis. Voorts is beslist omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 februari 2009 te Voorschoten en/of Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 15,3 gram cocaïne en/of 7,1 gram heroïne (diacetylmorfine), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne (telkens), zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Aan het door de raadsman gevoerde -niet nader geadstrueerde- verweer ter zake van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte gaat het hof -gelet op de hierna te nemen beslissing- om proces-economische redenen voorbij.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe dat het de tenlastelegging zo verstaat dat de steller van de tenlastelegging, mede beschouwd in het licht van de inhoud van het dossier, uitsluitend heeft beoogd de verdachte te vervolgen voor het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, te weten het verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van ongeveer 15,3 gram cocaïne en/of 7,1 gram heroïne. Dat waren de hoeveelheden -in bolletjes verpakte- verdovende middelen die werden aangetroffen in bezit van de mede-inzittende van de auto waarin ook de verdachte zich bevond. Van enige wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van die verdovende middelen is evenwel niet gebleken. De verdachte had zelf een wikkel cocaïne, bruto 0,9 gram, bij zich. Daarop ziet de tenlastelegging kennelijk niet.
Beslag
Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het geldbedrag zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 9.
Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2011.
Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.