ECLI:NL:GHSGR:2010:BO2079
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.H. van Coeverden
- R.S. van Coevorden
- E.M. Dousma-Valk
- Rechtspraak.nl
Beperking tenuitvoerlegging loonvordering na einde loondoorbetalingsverplichting
In deze zaak staat een executiegeschil centraal over de uitleg van een loonvordering die door de kantonrechter is toegewezen. De werknemer was sinds 1 februari 2005 in dienst en meldde zich ziek vanaf 8 april 2005. Na een periode van ziekte werd hij per 29 november 2006 arbeidsgeschikt verklaard, maar hervatte zijn werkzaamheden niet. De werkgever stopte daarop de loonbetaling per 18 december 2006. De werknemer trad vervolgens per 2 april 2007 elders in dienst.
De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst of totdat de loondoorbetalingsverplichting anderszins eindigt. De werkgever stelde dat de verplichting tot loonbetaling al vóór het vonnis van 2 augustus 2007 was geëindigd, met name per 29 november 2006 of uiterlijk per 2 april 2007 toen de werknemer ander werk vond.
Het hof oordeelt dat de loondoorbetalingsverplichting inderdaad eindigde per 2 april 2007, omdat de werknemer vanaf die datum niet langer beschikbaar was voor de overeengekomen werkzaamheden. De vordering tot volledige schorsing van de executie wordt afgewezen, maar het hof beperkt de tenuitvoerlegging van het vonnis tot de periode tot 2 april 2007. Tevens wordt een dwangsom van € 25.000 opgelegd voor het geval de werknemer weigert aan dit bevel te voldoen.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt beperkt tot salarisbetalingen tot 2 april 2007; na die datum is de loondoorbetalingsverplichting geëindigd.