ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2036
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot herroeping vonnis wegens vermeende schijn van partijdigheid rechter-plaatsvervanger
In deze civiele zaak vordert appellant de herroeping van een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op grond van vermeende schijn van partijdigheid. De grondslag hiervoor is dat een advocaat die voor BBL en de Staat optrad tevens rechter-plaatsvervanger was in de rechtbank die de zaak behandelde.
Het hof overweegt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bedrog, valsheid van stukken of achtergehouden beslissende stukken zoals vereist voor herroeping. Daarnaast is de vordering tot herroeping te laat ingesteld, aangezien appellant al vóór 15 december 2006 bekend was met de betrokkenheid van de advocaat als rechter-plaatsvervanger, terwijl de dagvaarding tot herroeping pas in juli 2008 werd uitgebracht, ruim na de drie maanden termijn.
Ten aanzien van de gemeente wordt de vordering afgewezen omdat de advocaat niet voor de gemeente optrad. Het bewijsaanbod van appellant wordt als niet ter zake dienend gepasseerd. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 20 juli 2010.
Uitkomst: Vordering tot herroeping afgewezen wegens termijnoverschrijding en onvoldoende onderbouwing van schijn van partijdigheid; appellant veroordeeld in kosten.