ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9594
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.A.F. Tan-de Sonnaville
- J.C.N.B. Kaal
- D.J. De Brauw
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid leidingbeheerder voor waterschade door breuk hoofdwaterleiding
In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid van Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (DZH) centraal voor waterschade veroorzaakt door een breuk in een hoofdwaterleiding nabij het Tweede Kamergebouw. De leiding brak in november 1996 doordat een leidingdeel uit een elektrolasmof schoot, wat leidde tot aanzienlijke schade in het gebouw. DZH was op dat moment leidingbeheerder van de waterleiding.
De Staat stelde DZH aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW Pro (risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige zaken). Het hof bevestigde dat er sprake was van een gebrek aan de waterleiding en dat DZH aansprakelijk was, tenzij sprake zou zijn van een van buiten komend gevaar of eigen schuld van de Staat, wat niet werd bewezen. Het beroep van DZH op eigen schuld en misbruik van recht werd verworpen.
Daarnaast werd een incidentele vordering van DZH tot inzage in het bouwdossier van de Tweede Kamer afgewezen, omdat DZH onvoldoende aannemelijk maakte welke relevante stukken ontbraken en de Staat voldoende stukken had verstrekt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde DZH in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt de aansprakelijkheid van DZH voor de waterschade en bekrachtigt het vonnis met veroordeling in kosten.