ECLI:NL:GHSGR:2009:BL1902
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verliesverrekeningsbeperking voor houdster- en financieringsmaatschappijen
Belanghebbende, een besloten vennootschap die deelnemingen houdt en leningen verstrekt, voerde in hoger beroep aan dat de verliesverrekeningsbeperking van artikel 20, lid 4, Wet Vpb 1969 niet op haar van toepassing is omdat zij niet uitsluitend houdster- of financieringsactiviteiten verricht. De rechtbank had dit standpunt reeds verworpen en de Inspecteur had het verlies als houdsterverlies aangemerkt.
Het hof bevestigt dat de verliesverrekeningsbeperking ook geldt voor (vrijwel) zuivere financieringsmaatschappijen en dat de instandhouding van de vennootschap geen zelfstandige werkzaamheid vormt die het werkzaamheidscriterium beïnvloedt. Tevens oordeelt het hof dat de regeling niet in strijd is met het EU-recht, met name de vrijheid van vestiging, en dat het verschil in behandeling tussen houdstermaatschappijen met binnenlandse en buitenlandse deelnemingen voortkomt uit het fiscale eenheidsregime en niet uit de verliesverrekeningsbeperking.
Het hof wijst erop dat de regeling niet uitsluitend is bedoeld om de gevolgen van het Bosal-arrest ongedaan te maken, maar een bredere strekking heeft om verliesverrekening te beperken bij houdster- en financieringsmaatschappijen. Het beroep van belanghebbende wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de verliesverrekeningsbeperking terecht is toegepast en verklaart het beroep ongegrond.