ECLI:NL:GHSGR:2009:BH8653
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van heffingsrente ondanks late oplegging voorlopige aanslag
Belanghebbende diende op 29 maart 2004 haar aangifte inkomstenbelasting 2003 in. De Inspecteur legde op 16 februari 2005 een voorlopige aanslag op, waarbij €206 aan heffingsrente werd berekend. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffingsrente en stelde dat de Inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door niet binnen drie maanden na de aangifte een voorlopige aanslag op te leggen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bij het gerechtshof werd bevestigd dat het enkele feit dat de aanslag niet binnen drie maanden werd opgelegd, niet leidt tot onzorgvuldig handelen. De wetgever beoogt dat aanslagen binnen die termijn worden opgelegd, maar de belastingplichtige kan dit voorkomen door tijdig een verzoek om voorlopige aanslag in te dienen. Belanghebbende had dit verzoek niet gedaan.
Het hof oordeelde dat de Inspecteur niet onzorgvuldig had gehandeld en dat de heffingsrente terecht was berekend. Er waren geen feiten die een vermindering van de heffingsrente rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de heffingsrente terecht is berekend ondanks het late opleggen van de voorlopige aanslag.