ECLI:NL:GHSGR:2009:BH0164
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- S.C.H. Koning
- C.G.M. van Rijnberk
- I.M. Abels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging van wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaak na drugshandel
Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in hoger beroep het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde vastgesteld op €573.917,80. Het hof matigt de ontnemingsvordering tot een bedrag van €565.000, lager dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van €1.501.633,80.
De zaak betreft een ontnemingsprocedure naar aanleiding van bewezenverklaarde feiten van medeplegen van handel in verdovende middelen. De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder het niet betrekken van het vermogen van de echtgenote en kinderen, hogere legale inkomsten, en het betwisten van eigendom van bepaalde goederen. Het hof verwierp deze verweren na uitgebreide bewijswaardering en motivering.
Het hof baseerde zich op een gedetailleerd Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) en diverse processen-verbaal, bankafschriften, getuigenverklaringen en tapgesprekken. De vermogensvergelijking werd nauwkeurig uitgewerkt met inbegrip van legale inkomsten, uitgaven, begin- en eindvermogen. Het hof oordeelde dat de economische eigendom van onroerende goederen bij de veroordeelde en medeveroordeelde lag, ondanks juridische eigendom bij de echtgenotes.
De verdediging stelde ook dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens niet-voortvarendheid en het laat inbrengen van stukken, maar het hof verwierp deze gronden. Het arrest vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht, waarbij het hof de ontnemingsvordering matigt en de betalingsverplichting aan de Staat oplegt.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €573.917,80 en legt een betalingsverplichting van €565.000 aan de veroordeelde op.