ECLI:NL:GHSGR:2008:BH1392
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.W. Savelbergh
- E.M.H. Pieters
- P.M. Verhagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat rente over overbedelingsvordering pas bij overlijden opeisbaar is en niet tot inkomen behoort
Belanghebbende en zijn moeder waren betrokken bij de verdeling van de nalatenschap van de vader, waarbij de moeder een overbedeling boven het testamentaire bedrag had genoten. Deze overbedelingsschuld werd omgezet in een geldlening met rente die pas opeisbaar werd bij het overlijden van de moeder. Bij haar overlijden in 2002 was de rente aanzienlijk opgelopen.
De Inspecteur had deze rente bij het inkomen van belanghebbende geteld, terwijl belanghebbende dit betwistte. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. De Inspecteur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Hof oordeelde dat op grond van artikel AK lid 4 van de Invoeringswet IB 2001 de rente over de overbedelingsvordering die pas bij overlijden opeisbaar wordt, niet tot het inkomen behoort. Dit volgt ook uit de parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie. De rente was niet in mindering gebracht op het inkomen van de moeder en zowel moeder als belanghebbende waren binnenlands belastingplichtig.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep van de Inspecteur af en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de rente over de overbedelingsvordering die pas bij overlijden opeisbaar wordt, niet tot het inkomen uit werk en woning behoort.