ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5646
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid heffingsrente als kosten van werkzaamheid in inkomstenbelasting
Belanghebbende was in geschil met de Inspecteur over de aftrekbaarheid van betaalde heffingsrente van € 24.923 in de aangifte inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende stelde dat deze rente verband hield met een schuld die direct samenhing met het ondernemingsvermogen van zijn BV, en daarom als kosten van een werkzaamheid aftrekbaar was.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de Inspecteur had het bezwaar eveneens afgewezen. In hoger beroep bevestigde het hof deze uitspraken. Het hof oordeelde dat de inkomstenbelasting en de daarbij behorende heffingsrente een privé-schuld vormen die niet tot het vermogen van de ingebrachte onderneming behoort.
Het hof stelde vast dat de heffingsrente onder hetzelfde etiketteringsregime valt als de belastingschuld zelf en dus niet kan worden aangemerkt als een kostenpost die verband houdt met de onderneming. Daarom is de aftrek van de heffingsrente als kosten van de werkzaamheid niet gerechtvaardigd. Het hof wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de betaalde heffingsrente niet als kosten van een werkzaamheid aftrekbaar is en wijst het beroep af.