ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6649
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Bouritius
- Van Leuven
- Fockema Andreae-Hartsuiker
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap en relatie met EVRM in hoger beroep
In deze zaak staat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de inmiddels overleden persoon A ten opzichte van verweerder centraal. De erven van persoon A zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam die het vaderschap vaststelde en uitvoerbaar bij voorraad verklaarde.
De erven voerden meerdere grieven aan, waaronder dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van verweerder ontvankelijk had verklaard, dat er reeds onherroepelijke uitspraken waren gedaan door Antilliaanse rechterlijke instanties over de afstamming, en dat het EVRM niet leidt tot een recht op gerechtelijke vaststelling van familierechtelijke betrekkingen. Verweerder betwistte deze grieven en stelde onder meer dat het EVRM prevaleert boven nationaal recht en dat het vaderschap terugwerkt tot de geboorte.
Het hof oordeelde dat de eerdere Antilliaanse uitspraken niet onherroepelijk zijn in de zin van gezag van gewijsde in deze procedure en dat het EVRM inderdaad aanspraak biedt op vaststelling van de juridische relatie tussen kind en natuurlijke vader. Het hof verwierp de meeste grieven van de erven, maar vernietigde de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vaststelling van het vaderschap, vernietigt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en compenseert de proceskosten.