ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3845
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.T. van der Hoeven-Oud
- E.B. Rank-Berenschot
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- Rechtspraak.nl
Arbeidsongeschiktheidsverzekering en uitleg polisvoorwaarden bij chronisch pijnsyndroom
In deze zaak staat centraal of appellant recht heeft op een uitkering op grond van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Aegon vanwege klachten die zijn gediagnosticeerd als chronische cervicobrachialgie, een pijnsyndroom zonder duidelijke medische oorzaak.
Het hof bevestigt dat de polisvoorwaarden van toepassing zijn en dat arbeidsongeschiktheid vereist is dat er objectief medisch vast te stellen stoornissen zijn die leiden tot minimaal 25% arbeidsongeschiktheid. Partijen zijn het erover eens dat ook een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, ook zonder eenduidige medische oorzaak, onder de dekking kan vallen.
Het hof stelt vast dat het cervicobrachiaalsyndroom als zodanig erkend is in de ICD-classificatie en door meerdere artsen is vastgesteld, waardoor het als herkenbaar en benoembaar ziektebeeld moet worden aangemerkt. De eerdere conclusie van de deskundige prof. Zwarts dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wordt verworpen.
Op basis van de medische en arbeidsdeskundige rapporten acht het hof appellant voor 80-100% arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk als edelsteenzetter (rubriek A). Voor het na-eerstejaarsrisico (rubriek B) is nader onderzoek nodig om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen.
Het hof verwijst de zaak voor nader arbeidsdeskundig onderzoek en laat de beslissing over de uitkering voor rubriek B aan een volgende zitting over.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat appellant recht heeft op uitkering voor rubriek A wegens arbeidsongeschiktheid door een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, maar verwijst de zaak voor nader onderzoek naar rubriek B.