ECLI:NL:GHSGR:2003:AM1464
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Savelbergh
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek kosten werkkamer voor vermogensbeheer in inkomstenbelasting
Belanghebbende had in 2000 inkomsten uit vroegere arbeid, rente en dividend en bezat een omvangrijk effecten- en banktegoed. Hij bracht in zijn aangifte een aftrekpost op van kosten voor het gebruik van een werkkamer voor vermogensbeheer, welke door de Inspecteur werd afgewezen. Belanghebbende voerde aan dat hij in de werkkamer administratieve werkzaamheden verrichtte zoals het verzamelen van dividend- en rente-inkomsten en het opstellen van effectenlijsten, en dat hij op grond van jurisprudentie recht had op aftrek.
Het hof overweegt dat aftrekbare kosten volgens artikel 35 Wet Pro IB 1964 kosten zijn die gemaakt zijn ter verwerving, inning en behoud van inkomsten uit vermogen. Werkzaamheden gericht op de aan- en verkoop van effecten, die koersresultaten opleveren, vallen hier niet onder. Het hof stelt vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden voor de administratie van dividend- en rente-inkomsten van zodanige omvang zijn dat de werkkamer vrijwel uitsluitend daarvoor wordt gebruikt. Bovendien nemen banken veel administratieve taken over.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie betrekking had op andere werkzaamheden, zoals verhuur van onroerende zaken. Ten aanzien van de heffingsrente oordeelt het hof dat de aanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd en dat er geen sprake is van onnodige vertraging door de Inspecteur. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aftrek van kosten voor de werkkamer wordt afgewezen.